"Zolang de morgenster schijnt, houd ik hoop" PDF Afdrukken

Bron: gereformeerd Dagblad 1 december 2000
Door A. Jansen
Bijna veertig jaar geleden streed Eddy Korwa voor een vrij Papoea tegen de Indonesische bezetters. Met het hijsen van de Morgenstervlag, op 1 december '61, hadden de Papoea's immers uitzicht gekregen op spoedige onafhankelijkheid. Dat lieten Eddy en zijn kameraden zich niet ontnemen door de overheersers van Java. Maar hun strijd bleek tevergeefs. Via een spectaculaire ontsnappingstocht kwam Eddy in Nederland terecht. Maar na het vertrek van de Indonesische president Suharto is de strijd van de Papoea's voor een eigen staat weer actueel. Zo ook de omstreden vlaghijsingen die vandaag op heel West-Papoea plaatshebben. Bijna veertig jaar na zijn vlucht pakt ook Eddy de draad weer op. Vandaag is hij erbij als op Biak de Morgenster wordt gehesen.

Op de avond dat ik hem spreek, zit Eddy Korwa in de meldkamer van de Knoopkazerne, hartje Utrecht. Een kleine, ranke man, met kroeshaar en een kenmerkend Papoeagezicht. Misschien is het vanwege zijn tengere voorkomen dat je niet zou zeggen dat Eddy de zestig net is gepasseerd.

Al sinds zijn komst naar Nederland, in 1964, zit hij bij de dienst burgerbewaking van het ministerie van Defensie. Dát hij een burgerbaan heeft, lees je niet aan hem af. Want met zijn geladen pistool en robuuste handboeien aan zijn riem zou hij zo voor een echte militair door kunnen gaan.

Nog een paar uur, dan zit Eddy's dienst als bewaker erop. En kan hij de rijen beeldschermen, het geknipper en gebliep van de bewakingsapparatuur overlaten aan zijn collega van de nachtdienst. Lang zullen al die knopjes en lichtjes niet in zijn brein blijven naijlen, want Korwa heeft in zijn vrije tijd wel wat anders aan zijn hoofd. Over twee dagen vertrekt hij naar Biak, om er op 1 december de vlaghijsing mee te maken. Een, overigens omstreden, ceremonie die naar onafhankelijkheid strevende Papoea's er hebben georganiseerd.

Korwa is dus de achternaam, en kenners weten dan dat Biak, het eiland aan de noordkust van West-Papoea, de geboorteplek moet zijn. Als twintigjarige heeft Eddy de perikelen rond de afgedwongen overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië meegemaakt. En 1 december heeft wat hem betreft dezelfde lading als 5 mei bij ons. Op die datum, in het jaar 1961, had Nederland immers toegestaan dat Papoea's hun eigen vlag, de Morgenster, omhoog hesen. En daarom trilde op die dag de lucht van hooggespannen toekomstverwachting: de vlag en het volkslied hielden slechts één belofte in: naderende onafhankelijkheid!

Gulzige Sukarno
Van al dat moois kwam niets terecht, want onder druk van de Verenigde Staten werd Den Haag gedwongen zijn laatste stuk Indië af te staan aan de nieuwe machthebbers op Java. Daar zat een gulzige Sukarno zijn „Indonesische Republiek” op de tekentafel neer te zetten, en West-Irian mocht daarin niet ontbreken. Al in 1962 claimde Sukarno Nederlands Nieuw-Guinea als zijn gebied, en doopte het om tot ”Irian Barat”, West-Irian dus. In 1969 werd het officieel door Jakarta ingelijfd.

„Toen ik in 1963 op een dag van mijn werk terugkwam”, herinnert Eddy zich, „moest ik mijn Nederlands paspoort inleveren. Het werd op een grote hoop gegooid en verbrand. En ik was nog van plan geweest naar Nederland te gaan; daar was het nu te laat voor.”

Korwa vergelijkt de Indonesische bezetting van zijn land met die van de Duitsers in Nederland. „We hadden niets meer te vertellen en moesten alles doen wat die vreemde overheersers ons opdroegen.” De aanwezigheid van de Verenigde Naties bij wijze van interim-bestuur bleek een wassen neus. „Wanneer Indonesische militairen hardhandig tegen Papoea's optraden, deden die VN-soldaten niks.” Korwa zag hoe militairen Papoea's op straat mishandelden. „Had je iets niet opgevolgd, dan klonk al direct: „Jij hebt zeker nog een hartje voor Nederland, hè?” en werd je als regelrechte tegenstander gezien. Wij van Biak werden sowieso beschouwd als loopjongens van de Hollanders.”

Dat was voor Korwa reden om alsnog te proberen weg te komen. „Nederland had op dat moment nog niet besloten zijn betrekkingen met Indonesië volledig te verbreken, dus in 1964, zo wist ik, zou er nog een Nederlands schip de haven van Sorong, waar ik bij de loodsdienst werkte, aandoen om goederen te lossen” (Sorong ligt op het eiland Manokwari, ofwel de Vogelkop van West-Papoea, AJ). Hij nam zich voor als verstekeling met deze boot mee te gaan naar Nederland.

Een extra reden om te vertrekken, was dat Korwa deelnam aan acties van de plaatselijke verzetsgroep. „Met zo'n 250 man voerden we een soort stadsguerrilla, waarbij we zo veel mogelijk Indonesisch materiaal onklaar probeerden te maken. Officieren opwachten en hen ombrengen hoorde er ook bij.”

Er verschijnt een lachje om zijn mond als ik hem vraag of hij ook persoonlijk militairen heeft geliquideerd. „Natuurlijk heb ik wel eens een hoge officier laten verdwijnen, maar niemand is er ooit achter gekomen wat er met hem is gebeurd.”

De Indonesiërs wisten op een gegeven moment wel dat ene Eddy Korwa bij dit werk betrokken was, want ze hadden een namenlijst in handen gekregen. „Een neef van me was daarachter gekomen en heeft me gewaarschuwd. Wegwezen dus, want iedereen wist dat wie gepakt werd op geen genade hoefde te rekenen.”

Penvriend
Dat het hem lukte om als verstekeling op die Nederlandse boot terecht te komen, ziet de christen Korwa altijd nog als een wonder van God. „Ik heb het echt als de weg van de Heer ervaren dat ik daar weg kon komen – ik heb er ook veel om gebeden.”

Eddy vertelt dat hij enkele jaren eerder had gecorrespondeerd met „Leo Franciscus”, een Nederlandse jongen uit Enschede. Vlak voor de overdracht in 1963 was dat contact echter verwaterd. „Toen dat schip aan de kade lag, moest ik van de loods de bemanningslijst ophalen en naar het kantoor van de havenmeester brengen. Onderweg daarheen was het alsof iemand tegen me zei: „Kijk even op die lijst.” Ik sla hem open en zie tot mijn stomme verbazing de naam Leo Franciscus, mijn penvriend, staan! Nog diezelfde avond heb ik een fotootje van hem, dat hij ooit eens had gestuurd, opgezocht, en ben ik naar de boot gegaan. Aan de bootsman vroeg ik of een van de bemanningsleden soms Leo Franciscus heette. „Zeker”, zei de man, om vervolgens naar achteren te roepen:,Hé Leo, ik heb hier een Papoeajongen voor je die je wil spreken.”

„Zeg maar wat je op je hart hebt; wat wil je van me?” was het eerste wat Leo tegen me zei toen we in zijn hut waren neergestreken. „Wacht even”, vulde hij aan. „Twee jaar geleden heb ik gecorrespondeerd met een Papoeajongen, maar ik weet niet waar die nu zit, we hebben geen contact meer. Ik ben eigenlijk van plan hem op te zoeken. Hier heb ik nog een foto van hem.” „Ik heb in die tijd ook gecorrespondeerd met iemand in Nederland”, zei ik. „En ik heb ook nog een foto van hem.” Ik pakte zijn foto uit mijn zak en liet hem die zien. Met grote ogen staarde Leo naar zijn eigen foto, en riep: „Ben jíj dan Eddy? Echt waar?” We hebben elkaar spontaan omhelsd en het eerste wat hij daarna zei was: „Wil je naar Nederland vluchten?” Graag, zei ik, liefst vanavond nog.”

„De volgende avond hebben we een vluchtplan opgesteld. We zijn naar beneden gegaan, de machinekamer in en via een luik zijn we afgedaald in de onderste ruimte van het schip. „Als je helemaal naar de hoek kruipt, vindt niemand je”, verzekerde Leo. „Daar komt alleen iemand als het schip naar het dok gaat.””

Al eerder had Korwa elf andere jongens opgetrommeld die met hem mee wilden naar Nederland. „Toen we bij elkaar waren, heb ik hun op het hart gedrukt dat, mocht iemand gepakt worden en hij ons zou verraden, we dan allemaal doodgeschoten zouden worden. Ik heb toen de Papoeavlag gepakt en uitgespreid, daarop de Bijbel gelegd en voorgesteld om met de hand op de Bijbel te beloven nooit iemand te zullen verraden. Mocht een van ons dat toch doen, dan zal hij eens aan God verantwoording moeten afleggen. Nog diezelfde avond heb ik een brief aan mijn ouders in Biak geschreven en mijn vluchtplan uitgelegd. De brief heb ik de volgende ochtend nog zelf op de post gedaan.”

Jongens vermist
„Om negen uur ben ik die dag naar de boot gegaan, en ben stilletjes aan boord gestapt. Van de elf jongens die mee zouden gaan, was er nog maar één over. Met hem ben ik via de machinekamer naar beneden geglipt – het was koffietijd dus niemand was daar aanwezig. Via het luik in de scheepswand zijn we verder afgedaald en weggekropen totdat we in de uiterste punt van het schip zaten.”

„Een uur later vertrokken we, maar we waren de haven maar net uit –zo vertelde Leo later– toen over de boordradio de havenmeester berichtte dat twee van zijn Papoeajongens werden vermist. De boot werd stilgelegd en even later klom een groepje militairen aan boord. Het hele schip werd van voor tot achter en van boven tot beneden doorzocht, maar zonder resultaat. Vervolgens hebben ze nog geprobeerd met water de ruimte waarin wij zaten vol te spuiten. Maar omdat we daar tegen de schuin oplopende scheepswand zaten, hoefden we voor het stijgende water niet op de vlucht.”

Eddy vertelt in die benauwde uren veel te hebben gebeden. „In mijn gebed heb ik gezegd: Heer, als u dit een oneerlijke strijd vindt, laat ons dan gevangennemen en terugsturen. Maar is het een goede strijd, breng ons dan in Nederland.”

Die tweestrijd tussen goed of fout zou hem nog dagenlang bezighouden, want de kans dat Eddy en zijn kameraad in Nederland zouden arriveren, leek met de dag kleiner te worden. Drie dagen zaten ze achter de scheepswand, zonder eten of drinken. Ter hoogte van Merauke, een stad op Irian in de uiterste oosthoek van de Indonesische archipel, zijn ze naar boven gegaan. Dat gebeurde vlak voordat de oversteek naar Australië zou worden gemaakt. „We waren nog in de Indonesische wateren, dus de kapitein probeerde ons zo snel mogelijk ergens aan land te zetten. Een sloep werd klaargemaakt, en begeleid door een groepje matrozen werden we daarmee naar een afgelegen plek gevaren. De kapitein dacht daar een dorp met huisjes te hebben gezien, maar toen wij in die sloep dichterbij kwamen, bleek het een begraafplaats te zijn. Een paar meter van de kust begon de bemanning in de sloep te aarzelen. Ook zij vonden een begraafplaats niet de ideale plek om verstekelingen aan wal te zetten.” De twee grepen hun kans. „We zeiden: „Wij hebben op school geleerd dat Nederlanders zo christelijk zijn, dus als dat zo is, dan nemen jullie ons mee naar Nederland.””

Na wat heen en weer gepraat was onder de matrozen de conclusie unaniem: de Nederlandse regering moet maar beslissen of de twee terug naar West-Irian moeten. Van hen mochten ze mee varen. Tot zijn grote woede zag de kapitein de sloep mét verstekelingen weer terugkeren. Maar na flink aandringen van de bemanning draaide ook hij ten slotte bij.

In Australië werd voor een week aangemeerd. Dat betekende voor de Papoea's zeven dag cel, want de Australische autoriteiten wilden voorkomen dat de twee de benen zouden nemen.

Drie maanden na het vertrek uit Sorong, op 8 augustus 1964, kwam de boot in Rotterdam aan. Na enig geharrewar met de autoriteiten en dankzij de steun van enkele Papoea's die al eerder naar Nederland waren gekomen, kregen Korwa en zijn medevluchteling in Nederland politiek asiel. Nog datzelfde jaar werden ze allebei bij Defensie aangenomen als bewaker; 36 jaar later zitten ze nog steeds bij die eerste baas, op dezelfde locatie: Utrecht.

Van de familie Korwa is Eddy de enige die naar Nederland is gevlucht. Afgezien van zijn zwager in Sorong –hij heeft twee jaar vastgezeten omdat hij Eddy zou hebben laten gaan– is zijn familie verschoond gebleven van represailles door het Indonesische leger.

Het gezin Korwa in Nieuwegein telt inmiddels zeven kinderen – genoeg redenen voor Eddy om zich helemaal op Nederland te richten. Maar West-Papoea blijft trekken en de heimwee is groot. „Ik probeer dat verlangen naar huis af te zwakken door tal van activiteiten te organiseren voor onze Papoeagemeenschap”, zegt Eddy. Mede om die reden kent Nieuwegein het enige Papoearadiostation van Nederland.

Desondanks zijn de familiebanden met Biak sterk gebleven. Een extra reden om betrokken te blijven bij de zaak van de Papoea's daar. Op uitnodiging van het Comité voor Vlaghijsing in Biak, woonde Eddy vandaag deze vlaggenceremonie persoonlijk bij.

Beloften teruggedraaid
De toon van de centrale regering in Jakarta is echter grimmiger geworden, en president Wahid moet machteloos toezien hoe allerlei door hem gedane beloften worden teruggedraaid door de strijdkrachten. De vraag is op zijn plaats of zo'n vlagceremonie nog wel zin heeft.

„Het is toch toegestaan?” reageert Eddy ietwat verontwaardigd. „Op 1 december mag het nog, maar op één voorwaarde: per stad één vlag.”

„We hebben tegen de mensen daar wel gezegd dat ze zich moeten matigen. Want voor de Papoeabevolking geldt 1 december nog steeds als deadline. De leiders moeten dan besluiten tot onafhankelijkheid, vinden ze. „Vanaf die datum gaan we niet meer opzij voor de Indonesiërs”, zei men eerder dit jaar. Maar Indonesië heeft inmiddels al wel militaire versterkingen gestuurd! Dus je kunt nu wel zeggen: Het is erop of eronder, maar dan krijg je een bloedbad. Wij zullen proberen hen ervan te overtuigen dat we door moeten gaan met de dialoog. Onze leiders voeren al overleg met de regering in Jakarta, en op die manier proberen we verder te komen.”

Eddy vertelt al eerder tegen fanatieke jongelui op Biak te hebben gezegd dat die vlag „maar een doekje” is. En dat niemand er wat aan heeft als op 1 december iedereen wordt afgemaakt. „Spaar je levens voor de grote dag. Als we over een jaar of vijf jaar echt keihard eisen gaan stellen, dan hebben we jullie krachten hard nodig.”

Die 'grote dag' van onafhankelijkheid kómt er dus. Eddy Korwa blijft erin geloven. „Jazeker”, zegt hij. „Ik blijf positief. En als onze Morgenster straks niet meer mag wapperen, dan hebben we altijd nog de echte morgenster. Zolang die iedere ochtend aan de hemel verschijnt, houd ik hoop.”