Nico Jouwe weg bij De Stadskrant, gewoon, omdat hij te veel andere leuke dingen te doen heeft PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door dekrantonline   
vrijdag 19 september 2008 01:00

DELFT – "Het mooie is", zegt Nico Jouwe, "dat mijn vader zijn hele leven geprobeerd heeft te strijden voor de onafhankelijkheid van West-Papoea. Er is nu een documentaire gemaakt, voor de IKON, over de geschiedenis van mijn vader en zijn gezin. Die wordt op 10 oktober uitgezonden".

"Ik kom dus ook in die documentaire voor", zegt Nico Jouwe. Hij was tot voor zeer kort hoofd van het Mediabureau van de Gemeente Delft en als zodanig vooral hoofdredacteur van De Stadskrant. Komende week neemt Jouwe (48) afscheid van de Gemeente. Dat hij nu opstapt, zat er al een jaar of twee aan te komen, weet hij. "Het liep eigenlijk gelijk op met de tijd waarin die documentaire is gemaakt. Ik ben druk geweest om die documentaire van de grond te krijgen. Ik wilde 'm eerst ook zèlf maken. Maar een film maken, een boek schrijven over Nieuw-Guinea, als freelancer gaan werken, het duurde allemaal te lang voordat die film van de grond kwam. Vorig jaar is toch begonnen met filmen, een maand geleden zijn pas de laatste opnamen gemaakt. Vooral de financiering was een probleem, maar het is uiteindelijk gelukt". Jouwe is daar vooral ook hierom blij mee: "In de jaren tachtig hadden we al 's geprobeerd zo'n film te maken, maar ook toen liep het stuk op de financiering".

Nee, zegt Jouwe, hij heeft niet 'geworsteld' met het nemen van de beslissing er bij de Gemeente een punt achter te zetten. "Het enige", benadrukt hij, "is dat ik een heel fijn team heb. Binnen Communicatie is het de laatste tijd een duiventil, bij het Mediabureau werken we al sinds het begin met dezelfde ploeg. Ik heb er leuk samengewerkt. Dat dat stopt, vind ik wel jammer, al ben ik er ook weer niet sentimenteel onder".

-Is er toch niet iets wat je gaat missen?
"Ja. Ik kan op maandagmorgen niet meer uitleggen waarom Feyenoord verloren heeft. Ik ben Ajacied".

Tien jaar hoofdredacteur van De Stadskrant, het is niet niks. "De Gemeente is de belangrijkste organisatie in de stad. Daar weet de burger te weinig van. Ik heb er meteen in geloofd, in de functie van zo'n krant. Ik zag veel mogelijkheden om op een journalistieke manier het gemeentelijk beleid te belichten. We proberen een journalistiek verantwoord product te maken, ja, maar het is natuurlijk wèl een krant van de Gemeente. De Stadskrant gaat ervan uit dat de Gemeente het goede voorheeft met de burger. De onafhankelijke media zijn er om dat te wantrouwen en te controleren. Ik ben van nature optimistisch, een beetje idealistisch soms ook wel. Cynisme kan ontaarden in bitterheid. Daar moet je erg voor oppassen, dat je niet verbitterd raakt. Je moet wel uitgaan van het slechte in de mens, maar toch vooral geloven in het goede. Dat is ook een beetje hoe ik nu in het leven sta".

-Maar wat vind jij nou zelf van De Stadskrant?
"Ik vind het een mooie krant. Een beetje saai ook wel. Maar zo'n krant moet ook niet te veel toeters en bellen hebben. De Stadskrant moet een beetje een serieuze toon hebben. We hebben altijd verzorgde fotografie. Geen kiekjes. We hebben elke week een goeie strip, waarin je wel flink mag uithalen naar de Gemeente en het bestuur. Opa heeft de functie van hofnar, dat is goed. Verder moeten kritische burgers hun zegje kunnen doen. Als je alleen vanuit het bestuur schrijft, ben je minder geloofwaardig".

-Heb je als hoofdredacteur ook echt je stempel op de krant kunnen drukken?
"Voor een buitenstaander is dat misschien moeilijk te herkennen. De verantwoordelijkheid voor de redactionele keuzes ligt bij de hoofdredacteur en niet bij het hoofd Communicatie. Dat is een wezenlijk verschil. Wellicht wordt dat na mijn vertrek anders". Hij maakt er geen geheim van: "Dat in de krant kritische burgers aan het woord kwamen, daar heb ik me intern soms behoorlijk voor moeten verantwoorden. Maar wèl altijd achteraf, dat is het mooie. Het is dus nièt zo dat alles van tevoren wordt gescreend door de hogere machten. Maar je moet wel met die vrijheid om kunnen gaan".


Nico Jouwe werd geboren in Nederlands Nieuw-Guinea. Wat nu Jayapura heet. "Nieuw-Guinea was een kolonie van Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog werd de bevolking opgeleid tot een vorm van onafhankelijkheid. Mijn vader, hij was stamhoofd èn slim, was één van de mensen die daaraan leiding moesten gaan geven. In 1948 werd Indonesië onafhankelijk. Indonesië wilde Nieuw-Guinea er wel bijhebben. Amerika en de Verenigde Naties hebben Nederland toen gedwongen Nederlands Nieuw-Guinea op te geven. De Papoea's, onder wie mijn vader, voelden zich natuurlijk zwaar verraden". In 1962 kwamen de Jouwe's naar Nederland. "We konden daar niet blijven".

Nico Jouwe praat vol ontzag over zijn vader. "Hij wilde dat Nieuw-Guinea onafhankelijk zou worden. Hij wist wat er in de wereld te koop was. Hogere machten hebben bepaald dat het zo niet mocht wezen".

Jouwe kwam, na een half jaar Den Haag, in Delft terecht. "In Poptahof. Mijn vader woont daar nog steeds. Hij wordt dit jaar 85". Hij vertelt dan weer over de documentaire die de geschiedenis van zijn vader en diens gezin belicht. "Aanvankelijk was het idee dat ik met mijn vader zou teruggaan naar Nieuw-Guinea. Om daar te filmen. Maar de familie, mijn vader heeft daar nog een zus van in de zeventig wonen, wilde dat niet. Was bang dat het daar een rotzooi zou worden. Toen zou ik alleen teruggaan met een filmploeg, maar we kregen geen toestemming van Indonesië. Ook al benadrukten we dat het geen politieke film zou worden en geen anti-Indonesiëfilm. Uiteindelijk is de documentaire afgemaakt zonder opnames daar".

Zijn vader, zegt Nico Jouwe in alle bescheidenheid, heeft 'heel bijzondere kwaliteiten'. Toch wel trots: "Het was de bedoeling Nieuw-Guinea onafhankelijk te maken. Mijn vader heeft de vlag ontworpen. Tot op de dag van vandaag is het in Nieuw-Guinea verboden die vlag te hijsen. Wie dat tóch doet, wordt opgesloten in de gevangenis. Moet je nagaan: er zitten vandaag de dag mensen vast omdat ze de vlag van m'n vader gehesen hebben". Nico Jouwe is tot nu toe nooit meer teruggeweest. Maar: "Als toerist mag ik er wèl in. En binnenkort gá ik ook. Ik mag alleen niet terug als medewerker aan een film. Ik wil er wèl een boek over schrijven. Met daarin mijn eigen belevenissen. Hoe ik het zie. En ik wil onze geschiedenis vertellen".

-Zit de mensheid wel op een boek van jou te wachten?
"Tja, voor wie schrijf ik dit? Het boek moet een aangename leeservaring zijn. Je moet niet een gewoon boek willen schrijven, je moet een goed boek willen schrijven. Het moet prettig om te lezen zijn. Er moet iets van struggle en strijd inzitten. Iets van geschiedenis. Maar het moet ook spannend zijn om te lezen. En heel persoonlijk. En over dat stukje vergeten geschiedenis van Nederland kun je zó schrijven dat het voor een redelijk groot publiek interessant kan zijn. Het genre, actieve nonfictie, is heel erg in. Natuurlijk hoop ik dat mijn boek een fantastisch verkoopsucces wordt. Maar ik ben wel zo realistisch dat ik denk dat dat niet zo zal zijn. Je moet er niettemin van overtuigd zijn dat je best boeken kan schrijven. Je moet een soort vertelstijl vinden die bij jou past. Een eigen stijl, die typisch is voor jou. Als je die weet te vinden, is het wel geslaagd".

Jouwe, dat moet wel heel duidelijk zijn, ontvlucht de Gemeente niet uit onvrede. Integendeel, zelfs. "De Gemeente doet het altijd fout. Maar dat de Gemeente iets te ver van de burger afstaat, daar zit wel een kern van waarheid in. Dat het zakkenvullers zijn in de politiek en bij de Gemeente, dat ze alleen op eigen eer en glorie uit zijn, dat wordt te sterk overdreven. Het is zo, ja, dat heel veel studenten niet stage willen lopen bij een gemeentelijke organisatie, omdat ze denken dat het er heel saai is. Maar je hebt hier nou eenmaal die ambtelijke molens. Dingen gaan langzaam. Er zijn binnen deze organisatie zó veel takken van sport dat het logisch is dat er wel 's dingen langs elkaar heen gaan". Jouwe, zo eenvoudig is het eigenlijk, kan wat hij wil gaan en blijven doen niet meer combineren met de klus die hij bij de Gemeente had te klaren. "Ik ga andere dingen doen". Een boek schrijven, dus. Maar hij is en blijft ook actief als dagvoorzitter en discussieleider. Hij blijft trainingen geven en cursussen. Hij had, in het verleden, een programma bij StadsRadio Delft. Hij gaat radioprogrammaatjes maken, op internet. "Ja, ik denk dat ik de tijd wel doorkom". Bovendien: "Ik blijf in Delft wonen. Ik heb het hier erg naar m'n zin. Ik vind het fijn om ergens echt geworteld te zijn en ergens lang te wonen. Ik wil ook steeds meer te weten komen over m'n stad. En eigenlijk hebben al m'n herinneringen een Delftse basis. De belangrijkste gebeurtenissen in m'n leven hebben zich binnen een straal van één of twee kilometer afgespeeld. Al heb ik wèl in Leiden gestudeerd. Ik ben theoretisch psycholoog, géén therapeut. Nee, ik heb nooit als psycholoog gewerkt. Ik heb altijd in de journalistiek gewerkt en veel over psychologie geschreven".

Hij was, toen hij nog een kleuter was, 'wel een stoer jongetje', kan hij zich herinneren. "Toen wij in Delft kwamen, was Poptahof een hele witte wijk. Ik was het donkere jongetje, dat kwam niet zo veel voor. Dat is in Poptahof nu wel omgedraaid, ja". Dat er veel over Nieuw-Guinea en zijn vader in de kranten te lezen viel, dat was geen nadeel. Maar: "Er heerste ook het idee dat donkere mensen goed waren in vechten en sport. Nou, ik was helemáál geen vechtersbaas. Ik was rustig". En sportief. "Ik heb gevoetbald, in de jeugd, bij dvv Delft. Deed later aan Taekwon-do". Lacht: "Vechten vond ik toen wèl leuk. Kung-Fu, karatefilms, Bruce Lee, dat fascineerde me allemaal mateloos. Ik ging elke week naar de bioscoop". Taekwon-do deed hij bij Jan Koster. "Ik had het idee dat ik dat wel goed kon. Dat was ook wel zo. Uiteindelijk ben ik Nederlands Kampioen geworden". Maar hij ging studeren, kreeg andere interesses en een vriendin en toen het over met (vecht)sporten. "Mohammed Ali, Pélé, dat waren mijn sporthelden. En eigenlijk had ik het idee dat ik wel Bruce Lee kon worden. Ik heb ook een tijdlang gedacht sportleraar te worden. Heb precies één dag op de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding gezeten. Ik heb toen een jaar gewerkt en ben daarna dus Psychologie gaan studeren. Puur uit interesse. En niet vanuit het idee: daar ga ik m'n geld mee verdienen".
Schrijven vond hij al heel jong leuk om te doen. "In de tweede klas van de Lagere School schreef ik al, met hulp van de meester, in het schoolkrantje. En bij Jan Koster heb ik jarenlang het clubblad gemaakt".

-Kun je schrijven leren?
"Ja. Er zijn bepaalde technieken, die kun je oefenen. Het opzetten van structuren kun je leren. Maar natuurlijk heeft talent er ook mee te maken. Wat je niet kunt leren is het schrijven van een meesterwerk. De kunst van het schrijven is dat je iets ziet en dat je dat weet om te zetten in woorden. Je hebt mensen, die hebben de gave van het woord. Maar je hebt ook mensen die daar heel hard voor hebben moeten werken. Het begint bij er lol in te hebben". En dan steekt weer even de psycholoog in Jouwe de kop op: "Mensen die zichzelf overschatten, komen verder dan mensen die zichzelf reëel inschatten. Dat is gebleken uit psychologisch onderzoek". Bescheidenheid siert dus de mens, maar het is kennelijk niet altijd handig. Gelukkig: "Als je denkt dat je iets te goed bent, zie je je gebreken niet meer".

-Voel jij je een Papoea?
"Dat voel je je met name als je geconfronteerd wordt met familie". Jouwe's moeder was een Indo, "haar vader was assistent-resident". Zijn vader is een echte Papoea. "Geboren in een paalwoning boven zee. Al onze gesprekken gaan over Nieuw-Guinea. Daar word je wel 's een beetje moe van. M'n vader kan behoorlijk drammen. Maar ja, vergeet niet: hij was voorbestemd om de leider te worden van een nieuwe natie en hij is terecht gekomen in een buitenwijk van Delft. Mijn moeder wilde graag dat we hier een normaal leven gingen leiden.En ik moet zeggen: mijn vader heeft ons nooit in zijn strijd betrokken".

-Maar wat ben jij nou?
"Ik ben een soort zoetwater-Papoea. Ik ben wel een Papoea, maar niet helemaal een echte. In feite ben ik een geïntegreerde Hollandse jongen". (PB)