Op je 86ste terug naar Papoea om te helpen PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Elske Schouten in NRC   
maandag 25 januari 2010 01:00

Nicolaas Jouwe wil niet in Nederland ‘geroosterd’ worden. Daarom keert hij terug naar Papoea, als gerespecteerd burger van de Indonesische provincie.

Door onze correspondent
ELSKE SCHOUTEN

Jakarta, 25 Jan. 2010

Nicolaas Jouwe heeft op zijn 86ste een nieuwe kans gekregen. Voor het eerst sinds hij als jongeman in de jaren zestig druk op en neer vloog naar New York om bij de Verenigde Naties te pleiten voor een onafhankelijk Papoea, telt hij weer mee.

 

 

En hij geniet ervan. Op de bank in zijn tijdelijke appartement in Jakarta vertelt hij achteloos over zijn recente ontmoetingen met de Indonesische elite. Hij dronk vorige week thee met miljardair en toppoliticus Aburizal Bakrie, ontmoette oud-president Habibie. De minister van Buitenlandse Zaken gaf hij ‘geschiedenisles’, twitterde zijn zoon Nico, die geen seconde van zijn zijde wijkt. Vandaag sprak hij vice-president Boediono.

Bijna een jaar geleden was ik erbij toen Jouwe voor het eerst na 47 jaar ballingschap in Nederland zijn geboortegrond in Papoea weer terugzag. Jouwe zou ooit de eerste premier worden van een onafhankelijk Papoea, zo hadden de Nederlandse kolonialen bedacht. Hij ontwierp de Morgenstervlag, het symbool van een vrij Papoea. Maar het liep anders: nadat de Nederlanders in 1962 moesten vertrekken, werd Papoea geannexeerd door Indonesië. De Morgenstervlag is verboden.

Het werd een fascinerende reis. De Indonesische regering probeerde er een publiciteitsstunt van te maken door hem te presenteren als ‘de oprichter van separatistenbeweging OPM’ – wat hij helemaal niet is – die zich kwam ‘overgeven’. Maar Jouwe maakte duidelijk dat van overgave geen sprake was. Ook nu, als ik vraag of hij zijn streven naar een eigen land voor de Papoea’s definitief heeft laten varen, antwoordt hij in zijn ouderwetse Nederlands: „Nou mevrouw Schouten, dat zegt u wel érg gemakkelijk.”

Jouwe heeft nu besloten in Papoea te gaan wonen. Deze week verruilt hij zijn huurhuis in Delft definitief voor een riante, door de Indonesische regering betaalde villa in Jayapura: de hoofdstad van Papoea die Jouwe nog altijd Hollandia noemt.

Deels omdat hij zich in Nederland een beetje eenzaam voelt, zegt hij. In Jayapura heeft hij kleinkinderen, achterkleinkinderen en neefjes en nichtjes die voor hem willen zorgen. Bovendien, zegt hij zachtjes, hij wil niet ‘geroosterd’ worden. Geroosterd? Ja, want in Nederland cremeren ze de doden, zegt hij, en hij wordt liever begraven.

Maar ik zit fout als ik suggereer dat Jouwe in Papoea lekker kan tuinieren en de overgrootopa kan uithangen. Hij heeft veel te veel te doen. Eindelijk kan hij zijn levenswerk weer ter hand nemen: de Papoea’s vooruit helpen. Zodat, zoals hij zegt, ook zij kunnen toetreden tot de moderne tijd. Te beginnen met gezondheidszorg en scholing. Hij ziet het als zijn taak om te zorgen dat de grote hoeveelheid geld die de provincie dankzij een speciale autonomieregeling krijgt, de bevolking ten goede komt. „Dat is de reden dat president Yudhoyono de oude Jouwe naar Papoea haalt”, zegt hij over zichzelf. „Want dat is iemand met gezag.”

De onafhankelijkheid moet maar wachten. „Dat zit er gewoon niet in”, legt zoon Nico uit. „Er is niemand meer in de internationale gemeenschap die dat steunt.” Maar niet alle Papoea’s in ballingschap zijn zo realistisch. In Nederland maken sommigen hem uit voor verrader, weet Jouwe. Hij begrijpt dat wel, zij hebben niet de opleiding die hij heeft. „Ze willen niet begrijpen dat het handiger kan zijn om samen te werken.”

Eigenlijk wilde Jouwe, diplomaat in hart en nieren, al veel eerder met de Indonesiërs in gesprek. Maar president Soeharto had destijds geen oren naar zijn voorstel. Jouwe dacht daarover na sinds hij zich realiseerde dat Nederland, waar hij zijn lot aan had verbonden, niets meer over Papoea te zeggen had. Eigenlijk vindt hij het nog steeds zielig voor die Nederlanders. Die lieten alle bodemschatten in Papoea maar voor hun neus wegkapen door de Amerikanen van mijnbedrijf Freeport, dat er nu de grootste goudmijn van de wereld runt.

Jouwe realiseert zich wel dat de tijden zijn veranderd. Vroeger was hij het hoofd van een belangrijke clan. „Mensen gingen niet eens vissen in de baai zonder toestemming van de Jouwes.” Misschien wordt er nu niet meer zo goed naar hem geluisterd. Maar nadat hij in Nederland decennialang aan de zijlijn stond, kan hij nu eindelijk weer iets doen. En die kans laat hij niet voorbijgaan.