Op de bres voor de kroeskop PDF Afdrukken E-mailadres
vrijdag 18 maart 2016 21:48

TEKST: WILMA VAN DER MATEN IN WAMENA, NIEUW-GUINEA

https://blendle.com/i/elsevier-juist/op-de-bres-voor-de-kroeskop/bnl-elsevierjuist-20160318-50_1

JUIST (uitgave Elsevier) – 18 maart 2016

In de Baliemvallei, de verborgen parel van het vroegere Nederlands-Nieuw-Guinea, beschrijft pater Frans Lieshout (80) al 53 jaar de rijke tradities van de Papoea’s. Maar de cultuur van de oorspronkelijke bewoners dreigt verloren te gaan door de komst van straight hairs. Een portret van Lieshout en drie andere Nederlanders die zich inzetten voor behoud van een unieke cultuur.

Alsof zijn leeftijd hem geen parten speelt, klimt de tachtigjarige pater Frans Lieshout behendig over een houten hek waarachter een Papoeafamilie woont. ‘Is er iemand thuis?’ roept hij in de lokale taal. In de bruine rieten hutten die onder weelderig groene bomen en struiken verstopt liggen, is het uitgestorven. Ook in de keuken, een langwerpige ‘schuur’ aan de zijkant van het erf, waarin nog op hout wordt gestookt, is geen ziel te bekennen. ‘Ze zijn vast naar hun tuinen waar ze zoete aardappelen verbouwen,’ vermoedt Lieshout.

In de mannenhut rust Lieshout even uit op de vloer van stro. Het is er aangenaam koel. In de schemer wijst hij naar een kist achter in de ruimte. ‘Daar mag je niet aankomen. Die is heilig. Hierin worden alle oorlogstrofeeën van de voorvaderen bewaard.’ Volgens de cultuur is de mannenhut verboden voor vrouwen. Als een Papoea ’s nachts met een van zijn echtgenoten wil slapen, gaat hij naar haar hut en stuurt hij de rest van zijn gezellinnen met de kinderen naar een ander vrouwenverblijf. Zodat hij de nacht alleen met de uitverkorene op het stro kan doorbrengen.

paterfranslieshout

Pater Lieshout in een Papoeadorp

Verkwikt stapt Lieshout even later op. In het bos achter de hutten staat hij stil bij een beekje met glashelder water. ‘De badkamer van de Papoea’s,’ legt hij uit. Ze mogen er niet in plassen. Daar hebben ze de bosjes voor. ‘Als een Papoea wakker wordt, doet hij eerst buiten de hut zijn behoefte. De varkens slobberen het vervolgens op. Papoea’s leven ecologisch,’ schatert hij het uit.

In de 53 jaar dat Lieshout in deze vallei woont, heeft hij zich ontwikkeld tot een ware antropoloog met grote kennis over de rijke tradities en de gebruiken van de Papoea’s. Tot zijn verdriet wordt de cultuur met uitsterven bedreigd. Geïrriteerd wijst Lieshout naar de winkels op de lokale markt. ‘Die kiosken zijn allemaal in handen van transmigranten uit Java en Soelawesi.’

President Soeharto stuurde de straight hairs, zoals de Javanen met hun rechte haren worden genoemd, in de jaren zeventig naar deze meest oostelijk gelegen provincie, waar rebellen van de Beweging voor een Vrij Papoea (OPM) voor onafhankelijkheid strijden. Als de Papoea’s in de minderheid raken, dooft de strijd voor onafhankelijkheid vanzelf uit, dacht de generaal. De pater zag de Javanen komen. Lieshout zelf arriveerde in 1962 in de Baliemvallei, twee weken voordat het Indonesische leger er met veel geweld binnenviel en alle Nederlanders uit de laatste Hollandse kolonie wegjoeg.

Cultuuruitingen

De nieuwe ‘bezetter’ wil van de Papoea’s Indonesiërs maken. Volgens een wet mogen ze niet meer in hun traditionele peniskokers en rieten rokjes lopen. Ze moeten verplicht kleren aan. ‘Indonesiërs kijken neer op de Papoea’s. Toen zij de macht overnamen, werden alle cultuuruitingen verboden, zoals hun dansen en liedjes. Je kunt iemand kapot slaan, maar zijn cultuur ontkennen, komt veel harder aan,’ vindt de pater. Indonesië houdt niet van de Papoea’s. ‘Jakarta is slechts uit op de rijke bodemstoffen, zoals het goud dat door de Amerikaanse mijngigant Freeport wordt gedolven.’

Javanen met de bromfietshelm nog op hun hoofd doen boodschappen op de markt. Papoea-vrouwen verkopen er op matjes hun groente en fruit. De mandarijnen, knollen en tomaten liggen er glanzend bij. ‘De Javanen zijn niet aardig. Ze snauwen tegen de vrouwen,’ constateert de pater.

De tocht gaat verder over een stoffig pad dat vanaf de weelderige Papoeadorpjes naar de brug over de rivier leidt. Aan de overkant ligt de stad Wamena. Mannen in de brandende zon zijn er met een schop in de weer. Onder de blije kreten wah, wah, wah (zij gegroet) knuffelen de Papoea’s Lieshout. Overal wordt hij met veel respect ontvangen. ‘We treffen vast voorbereidingen voor een nieuwe asfaltweg,’ legt een van hen uit. Maar Lieshout twijfelt of die er ooit komt.

In een poging om de harten van de opstandige Papoea’s te veroveren, kreeg de provincie in 2001 speciale autonomie. Sindsdien wordt ze overspoeld met geld.

‘Elk district ontvangt 100.000 dollar per jaar. Er is geen enkele controle vanuit Jakarta op de uitgaven. Papoea’s zijn niet gewend om met zo veel geld om te gaan. Delen is onderdeel van hun cultuur. Dus gaat er een portie naar de studie van de neef van de lokale leider. Of worden er de varkens van betaald voor een feest en staat om de haverklap zijn familie bij de lokale leider op de stoep om geld te vragen.’ De pater vermoedt dat Jakarta de Papoea’s bewust tegen elkaar uitspeelt. De autonomie heeft de Papoea’s ernstig verdeeld. Zij willen nu zo veel mogelijk regio’s oprichten om ook geld uit Jakarta te ontvangen. De nieuwe districten vallen vaak in het midden van stammengebieden waardoor oorlogen uit het verleden zijn opgelaaid. Met speren gaan ze elkaar te lijf.

‘Papoea’s willen allemaal werken voor de overheid. Ze zijn materialistisch geworden,’ klinkt het bitter uit de mond van Lieshout. De Papoea’s waren nooit lui. ‘Toen de eerste ontdekkingsreiziger, de Amerikaan Richard Archbold, in 1938 over het centrale berggebied van Nederlands Nieuw-Guinea vloog, zag hij vanuit zijn vliegtuigje hoe goed het landbouwgebied met akkers en huizen was ontwikkeld.’ Lieshout zwaait enthousiast naar boeren op het veld. De hoge bergen op de achtergrond met daarboven een strakblauwe lucht geven een pittoresk effect.

Onder luid gejoel verwelkomen kinderen in uniform op de dorpsschool de bejaarde pater. Het is de eerste lagere school in het hele bergland van de Baliemvallei, die in 1959 door de Nederlanders werd opgericht. Dat was onder de toenmalige controleur van het binnenlands bestuur, Frits Veldkamp. ‘Hij leeft nog steeds,’ weet Lieshout. Onder zijn gezag hadden de Nederlanders zes jaar daarvoor hun eerste bestuurspost geopend. Vanwege de vele stammenoorlogen in de vallei was de bewegingsvrijheid beperkt.

‘De Papoea’s lieten geen traan bij het vertrek van de Hollanders. Zij gedroegen zich niet zoveel beter dan de Indonesische bezetters.’ Lieshout refereert aan de opvolger van Veldkamp, Rolph Gonsalves. Die kreeg de bijnaam ‘Gunsalvo’s’, omdat hij zijn soldaten de opdracht gaf om met scherp op Papoea’s te schieten en hun hutten in brand te steken.

Pater Lieshout heeft nog foto’s uit de Hollandse tijd. Hij laat afbeeldingen zien van rieten schooltjes en kliniekjes die hij oprichtte. Op een daarvan onderwijst een non Papoea’s in hun peniskokers met de vlag de Morgenster aan de muur. In 1961 mocht hun vrijheidssymbool voor het eerst naast de Hollandse vlag wapperen. De bedoeling was dat de Papoea’s na tien jaar de macht zouden overnemen. Indonesië liet het niet zo ver komen. Sinds Jakarta het bestuur in de vallei overnam, is de schooluitval er het hoogst van de Archipel. ‘In de binnenlanden wordt nauwelijks in onderwijs geïnvesteerd,’ bromt Lieshout. Bij het busstation aan de overkant van de rivier staat een groepje ernstig vervuilde jongeren met rode ogen door drugsgebruik. Hun ouders stuurden ze naar de stad in de hoop op een betere toekomst. Er is niet genoeg plek voor iedereen in de asrama’s, de woongroepen. Deze jongens zijn aan lager wal geraakt.

Overal slingert stinkend huisafval. Onder de Nederlanders stond de hoofdstad Wamena bekend als de bloemenstad van de vallei. Lieshout maakt zich het meest zorgen over het aidsvirus, volgens Papoea’s meegebracht door straight hairprostituees van andere eilanden. Volgens het ministerie van Gezondheidszorg zou 3,5 procent van de Papoea’s in de stad zijn besmet. Lokale hulpverleners vermoeden dat inmiddels één op de drie het virus heeft. Papoea’s sterven namelijk ‘bij bosjes’.

Veelwijverij

De pater vindt dat ook de kerk debet is aan het verval. ‘Je moet uitgaan van de cultuur van mensen. Vroeger onthielden ouders zich drie jaar na de geboorte van hun kind van gemeenschap. Doordat de man meerdere vrouwen had, mocht hij

’s nachts wel een van zijn andere echtgenotes bezoeken. Het Papoea-huwelijk is nu eenmaal niet monogaam. De bisschop van Jayapura veroordeelde die veelwijverij. Zijn boodschap was: “Als je maar goed bidt en je vrouw trouw blijft, krijg je geen aids.” Nu zoekt de Papoea-man zijn vertier bij de hoertjes.’

In mei kwam president Joko Widodo naar de Baliemvallei. Hij heeft beloofd naar de klachten van de Papoea’s te luisteren. Het bezoek was doorgestoken kaart. Slechts de door Indonesië aangewezen adatleiders, ‘de wijze mannen’, waren uitgenodigd om met de president te praten. Het toneelstukje leek op het referendum in 1969. De Papoea’s mochten toen over hun toekomst beslissen. In werkelijkheid kozen geselecteerde ‘wijze mannen’ unaniem voor aansluiting bij Indonesië.

Lieshout heeft voor de jonge generatie een boek over de tradities en gewoonten van de Papoea’s geschreven. Het is de erfenis die hij achterlaat. Hij leidde verscheidene studenten op van wie enkelen zich tot onafhankelijkheidsleiders ontwikkelden. Zij moeten in zijn voetsporen hun cultuur hooghouden. Want die mag nooit verloren gaan. ‘De Papoea’s hebben alsnog recht op hun vrijheid,’ vindt Lieshout. Met hun kroeskoppen en donkere bruine huid passen ze helemaal niet bij de veel lichtere Maleisische Javanen.

ONDERWIJZER MET EEN MISSIE

Ik ben nieuwsgierig en wil weten hoe andere culturen in elkaar zitten,’ vertelt Pieter van der Wilt (37), die internationale betrekkingen studeerde en buiten Wamena als manager op het lerarenopleidingsinstituut werkt. Jacomien (35) is honkvaster. Zij volgde hem uiteindelijk met hun twee kinderen. Zij traint lokale onderwijzers die zelf nauwelijks kunnen lezen en schrijven. ‘Soms kom ik na kilometers rijden aan bij een school. Dan is die dicht, omdat een varken het grasveld heeft vernield. Ik heb geleerd vooral naar positieve veranderingen te kijken.’ Jacomien geeft op het instituut van Pieter ook les aan jonge, idealistische Papoea’s die straks minstens twee jaar diep in de binnenlanden gaan werken als onderdeel van hun opleiding. ‘Je moet werkelijk de overtuiging hebben dat je je wilt opofferen, anders loop je hier gillend weg.’ Pieter vertelt over de stammenoorlogen die sinds de decentralisatie zijn opgelaaid. Voor hun ‘huis op de prairie’, dat helemaal afgezonderd in het berglandschap ligt, beschieten boze krijgers elkaar zo nu en dan met pijl en boog. Van achter de regenton probeerde hij onlangs een gevecht te filmen. De strijd kost geld. ‘Iedere dode moet met varkens worden gecompenseerd. De prijs van een volwassen dier loopt al snel op tot zo’n 3.000 dollar. Veertig varkens voor een dode is normaal.’ Het echtpaar heeft nog geen plannen om te vertrekken. Als het aan Pieter ligt, gaan ze nooit meer weg.

VLIEGENDE MENSEN-REDDER

De Baliemvallei is voor Kees Janse (37), piloot in dienst van de MAF (Mission Aviation Fellowship), bekend terrein. Hij groeide als kind van Hollandse onderwijzers op in het binnenland tussen de Papoea’s. ‘Ik was drie toen we hier kwamen. Het vliegen is mij met de paplepel ingegoten. Een vliegtuig is het enige transportmiddel hier.’ Na de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea sommeerde Indonesië alle ontwikkelingswerkers om te vertrekken. Volgens Janse een onverstandige beslissing. ‘Door het onderwijs kwam er een einde aan de stammenoorlogen. De sterfte onder kinderen en bejaarden nam af. Er heersten allerlei ziekten. De varkens die in de hutten leefden, veroorzaakten diarree. Door de kou wasten de mensen zich onvoldoende. Moeders namen hun baby’s ’s ochtends mee naar de tuin en ’s middags na zonsondergang door de bergen terug naar het dorpje waardoor ze longontsteking kregen.’

Op zijn dertiende verhuisden zijn ouders terug naar Nederland waar hij moeilijk zijn draai kon vinden. ‘Thuis’ is voor hem de Baliemvallei. Waar hij Papoea’s naar de meest afgelegen plekjes in het regenwoud brengt, zolang er maar een landingsbaantje ligt. Elke ochtend vertrekt hij vroeg om zieken op te halen. Zijn piloten en technische opleiding heeft hij zelf betaald. ‘Dat is de voorwaarde van de MAF.’ Janse ontvangt ook geen salaris. ‘Je moet een achterban zoeken die je werk financieel ondersteunt,’ vertelt hij in zijn kantoortje met uitzicht op de landingsbaan waar Papoea’s gewoon mogen lopen.

Sinds 2005 woont Kees met zijn vrouw en vier kleine kinderen in Wamena. Zij had geen andere keuze dan hem te volgen. ‘Bij het begin van de verkering heb ik haar duidelijk gemaakt dat ik dit wilde. Als ze mij niet was gevolgd, had ik het zeker uitgemaakt.’

DE AIDSWERKERS

In een van de aidsklinieken in Wamena laat Marcel Kooijmans (41) met trots een maquette zien van een traditioneel Papoea-dorp dat hij zelf bouwde. Achter een hek liggen de rieten hutten. De varkens mogen niet naar binnen. ‘Met dit bouwwerk leg ik de bevolking de gevaren van aids uit. Het hek staat symbool voor het condoom, het varken stelt het virus voor. Bijna geen Papoea gebruikt condooms. Daarom grijpt het virus zo dodelijk om zich heen.’ Als manager werkt hij hier samen met zijn vrouw Mintje (40), een verpleegkundige. Samen hebben ze vijf kinderen, van wie de twee oudsten op een internaat buiten de vallei zitten. Marcel traint als voormalig onderwijzer de managers van de kliniek. Mintje werkt met aidspatiënten, mishandelde vrouwen en prostituees die met hiv of geslachtsziekten zijn besmet.

Haar prioriteit is vooral mensen in leven houden, want die gaan bij bosjes dood. ‘Bijna alle vrouwen hebben geslachtsziekten. Doordat mannen weigeren condooms te gebruiken, heeft 30 procent aids.’ Voor veel aidspatiënten is de kliniek de enige plek waar ze eerlijk kunnen praten. ‘Als je als vrouw bent besmet met hiv, is doodgaan niet eens de ergste optie. Het is veel erger om verstoten te worden door je familie.’ Mintje probeert een brug te bouwen tussen de Papoea’s en de straight hairs. De Indonesische regering heeft in dorpen moderne klinieken opgezet, maar geen zieke Papoea gaat erheen, omdat hij een Indonesische arts niet vertrouwt. ‘Ik leg ze uit dat ze wel in verzet kunnen blijven, maar dat het niets oplost. Straks is er geen Papoea meer over voor de merdeka, de onafhankelijkheidsstrijd!’