Strijder voor een vrij Papoea - Nicolaas Jouwe 1923 - 2017 PDF Afdrukken E-mailadres
maandag 02 oktober 2017 13:18

Trouw – door CARL MUREAU – 2 oktober 2017
https://www.trouw.nl/democratie/nicolaas-jouwe-1923-2017-streed-voor-een-vrij-papoea~ac59bb6e/

Voor de kust van Jayapura, het vroegere Hollandia, ligt het nietige eilandje Kayu Pulau. De vader van Nicolaas Jouwe was er stamhoofd in de tijd dat Nederland nog de scepter zwaaide. Buureiland Pulau Kosong heette toen zelfs Jouwe-eiland, het was eigendom van de familie. Hier werd anderhalve week geleden Nicolaas Jouwe begraven. Zo logisch als dat bij zijn geboorte had geleken, was dat allerminst. De Papoea-leider van het eerste uur leefde liefst 47 jaar als balling te Delft. Van daaruit streed hij al die tijd voor een vrij, zelfstandig West-Papoea. Het was een vergeefs gevecht om zelfbestuur, want de wereld zag het Papoea-volk niet staan.

Als zoon van stamhoofd Jouwe bleek de jonge Nicolaas te beschikken over een goed stel hersens. Hij doorliep vlotjes zijn lagere en middelbare school en het Nederlandse bestuur in het vroegere Nederlands Nieuw-Guinea zag in hem een lid van de nieuwe elite. Hij volgde bestuursopleidingen, zowel daar als in Nederland, en was ook aanwezig bij de officiële Ronde Tafel Conferentie in 1949, die ging over het afwikkelen van de Nederlands-Indische erfenis. Toen in 1961 de Nieuw-Guinea Raad werd opgericht, werd Jouwe gekozen tot vicevoorzitter. Nederland beloofde de Papoea's een zelfstandige staat in het westelijk deel van Nieuw-Guinea en deze raad moest die onafhankelijkheid voorbereiden.

Maar dat zelfbestuur voor de Papoea's kwam er nooit, want president Soekarno wilde ook deze provincie, rijk aan grondstoffen en hout, nog graag inlijven bij zijn Indonesië. Er kwam zelfs weer even oorlog van. Maar na politieke druk van Amerika en interventie van de Verenigde Naties ging Nederland door de knieën. Het moest zijn laatste restje Nederlands -Indië eind 1962 overdragen aan Indonesië. Toenmalig premier Jan de Quay nam afscheid van de Papoea's met de woorden: "Kijk vooruit in de toekomst met vertrouwen in de rechtvaardigheid van uw zaak en wees verzekerd dat wij jullie niet vergeten".

De overdracht werd geregeld in het zogeheten Akkoord van New York. Daarin werd afgesproken dat de Papoea's zich in 1969 via een volksraadpleging mochten uitspreken over hun toekomst. Hadden ze vrij mogen kiezen, dan zouden ze voor zelfbeschikking hebben gestemd. Maar het werd een nepreferendum, waarin duizend kiesmannen van Soeharto zich uitspraken voor aansluiting bij de Republiek Indonesië. Nederland liet het gebeuren, de hele wereld keek werkeloos toe.

De Papoea's voelden zich verraden, in de steek gelaten. Zo ook Nicolaas Jouwe, die al sinds eind 1962 als balling in Nederland woonde, met zijn tweede vrouw Wies en drie van zijn vijf kinderen. Als voormalig rijksambtenaar en bestuurder ontving hij wachtgeld van de Nederlandse staat. Werken hoefde hij hier niet. Alle tijd stak hij in zijn lobby voor een zelfstandig Papoea-land, ver overzee. In dat Hollandse rijtjeshuis aan de Poptahof ging het dan ook altijd over Nieuw-Guinea. Daar schreef hij zijn brieven, krantjes en pamfletten die hij de wereld in stuurde. Hij ontving er politici, bestuurders en sympathisanten uit binnen- en buitenland. Jouwe reisde zelf ook de wereld rond, om steun te vinden voor de Papoea-zaak. Sympathie vond hij onder meer bij voormalige koloniën in Afrika en landen in Melanesië.
De Papoea-voorman toonde zich een echt diplomaat, met het instinct van een zakenman. Voor zijn lobbyreizen kreeg hij steun van organisaties als 'Door de eeuwen trouw' en 'Hulp aan Papoea's in nood'. Hij sprak zijn talen, had humor en met zijn charme wist Jouwe mensen voor zich te winnen. Hij was een optimist, die altijd lichtpuntjes bleef zien. Eigenlijk was daar weinig reden toe, want de Papoea's streden een verloren strijd. Ondanks tegenspoed raakte Jouwe nooit verbitterd. Daar zag de buitenwereld althans niets van, drank en sigaretten hielpen hem zijn frustraties de baas te zijn. Wat Jouwe echt staande hield, was zijn rotsvaste vertrouwen in God, omdat 'de Eeuwige niet laat varen het werk dat zijn hand begon'. Hij geloofde in rechtvaardigheid. En dat de Papoea's onrecht was aangedaan, daarvan was bijna heel de wereld wel overtuigd.

Geweldloze strijd

Waar anderen de wapens oppakten om hun idealen kracht bij te zetten - denk aan de Molukse treinkapers, maar ook Papoea's van de OPM - daar bleef Jouwe de geweldloze strijd prediken. Hij geloofde echt dat diplomatie zou leiden tot zelfbeschikking voor zijn volk. Uiteindelijk beoogde Jouwe een samengaan van West-Papoea met oostelijke buurman Papoea-Nieuw-Guinea, dat in 1975 wel onafhankelijkheid kreeg van Australië. Het zou een levensvatbare natie kunnen opleveren. Wat niet in hun voordeel werkte, was dat de Papoea's onderling verdeeld waren. Zo kwam Jouwe zelf al snel in conflict met zijn oude kompaan Marcus Kaisiëpo, die ook naar Delft was uitgeweken. Hun sterke ego's zaten vruchtbare samenwerking in de weg. Geen van beiden slaagde er in een sterke organisatie neer te zetten, die op het internationale toneel succes kon boeken.

En zo bleef Indonesië de baas in dit westelijk deel van Nieuw-Guinea. Die nieuwe kolonisator toonde zich zelfs een wrede onderdrukker, die vreedzame protesten keihard neersloeg. Mensenrechtenorganisaties maakten melding van genocidepraktijken. Nog altijd is het verboden om de Morgenster te hijsen, de Papoea-vlag die Jouwe in 1961 had ontworpen. Wie het verbod negeert, wordt als provocateur meteen gearresteerd. Dat zie je op de Molukken, in Atjeh en dus ook in Papoea, waar het verlangen naar zelfbeschikking nog altijd springlevend is. De oorspronkelijke bevolking heeft zich nooit Indonesiër gevoeld en weet zich achtergesteld bij de vele 'landgenoten', vooral Javanen, die als gevolg van de transmigratiepolitiek in hun provincie zijn beland.

Papoea is al vele jaren een hoofdpijndossier voor Jakarta. Susilo Bambang Yudhoyono, de eerste rechtstreeks door het volk gekozen president van Indonesië, bedacht dat hij die hoofdpijn kon wegnemen door vooraanstaande Papoea-ballingen te laten terugkeren. Daarom stuurde hij eind 2008 een speciale delegatie, bestaande uit vier Papoea's, naar Nederland om Nicolaas Jouwe aan zijn kant te krijgen.

Het werd een moeizame missie. Het diplomatieke viertal verbleef ruim drie maanden in een hotel te Delft, kwam geregeld urenlang praten aan de Poptahof, maar Jouwe gaf geen krimp. Pas toen ambassadeur Junus Habibie een diner in het Haagse hotel Des Indes belegde, brak het ijs. Habibie en Jouwe bleken een liefde voor Molukse liedjes te delen; aan het eind van de avond zaten ze samen zingend aan tafel.

Jouwe besloot naar Jakarta te gaan. Niet om zijn streven naar zelfbeschikking op te geven, maar om de dialoog met de regering-Yudhoyono te openen. In de door Babette Niemel gemaakte documentaire 'Land zonder Koning' is te zien hoe die terugkeer na 47 jaar verliep: chaotisch, met veel gekonkel en politieke spelletjes waarin Jouwe als een diplomaat-op-leeftijd uitstekend overeind blijft. Ontroerend zijn de beelden, waarop hij zijn geboortedorp betreedt. Vrouwen vallen hem huilend om de hals. En samen zingen ze het volkslied 'Hai Tanakhu Papoea', Oh mijn land Papoea.

Twee bezoeken en een jaar verder besluit Jouwe om definitief terug te keren en zijn strijd te staken. Dat nemen veel Papoea's, ook hier in Nederland, hem niet in dank af. Zij zien dat als verraad. Maar Jouwe is het gevecht na bijna vijftig jaar moe. Het is hem wel duidelijk dat hij van Nederland niks meer hoeft te verwachten, dus waarom zou hij hier nog langer blijven? Hij is ervan overtuigd dat hij door samen te werken met de Indonesische regering meer kan bereiken voor zijn volk, dat behoefte heeft aan betere zorg, onderwijs, infrastructuur en welvaart. Wat in zijn overwegingen mede een rol speelt is dat Jouwe, inmiddels gescheiden, zijn hoofd ooit te ruste wil kunnen leggen in geboortedorp Kayu Pulau.

Bij zijn terugkeer, in 2010, wordt Jouwe aangesteld als speciaal adviseur van de minister die Papoea in zijn portefeuille heeft. De Indonesische regering belooft hem een gloednieuw huis in Jayapura, dat bijna af is. Maar hij strandt, om onduidelijke redenen, in een keurige wijk van Jakarta. Mogelijk vinden de Indonesische autoriteiten het toch te riskant om de markante Papoea naar Nieuw-Guinea te laten terugkeren. Als hij door een val zijn heup breekt, komt hij in een rolstoel terecht. In Jakarta krijgt hij wel geregeld bezoek van familieleden uit Papoea, zelf reist hij nog slechts één keer naar Jayapura.

Na zijn dood willen de autoriteiten dat Jouwe wordt begraven op Pahlawan, een ereveld voor nationale helden. Zijn familie staat er echter op dat Nicolaas zijn laatste rustplek krijgt op 'Jouwe-eiland', bij zijn geboortedorp. En zo gebeurt het.

Op zijn kist moest eigenlijk de Morgenster-vlag liggen, maar dat zou Indonesië vast opvatten als een provocatie. Nog altijd. Jouwe's strijd is dapper, nobel en hardnekkig geweest, maar heeft weinig tastbaars opgeleverd. "Behalve", zegt zoon Nico, "dat mijn vaders strijd een stimulans is geweest voor nieuwe generaties om zich te blijven inzetten voor het lot van de Papoea's."

Nicolaas Jouwe werd op 24 november 1923 geboren in Kayu Pulau, hij overleed op 16 september 2017 in Jakarta.