artikel in NRC over Petrus Pieter de Kock PDF Afdrukken E-mailadres
woensdag 13 januari 2021 07:56

‘De vlag stuurde ik naar Wilhelmina’
https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/13/de-vlag-stuurde-ik-naar-wilhelmina-a4027362

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen Frank Vermeulen over het leven in de kolonie. Deze week: Petrus Pieter de Kock (Amboina, 1918). Een dubbelaflevering.

NRC – door Frank Vermeulen - 13 januari 2021

pieter de kock

‘Ik ben op Ambon geboren en velen zien mij als een Molukker. Maar ik ben een Indische Nederlander. Mijn moeder, een Ambonese, wilde mij een christelijke naam geven: Petrus. Maar mijn vader dacht: die naam komt niet voor in onze stamboom. Hij voegde er daarom Pieter aan toe bij de burgerlijke stand. Die achternaam, De Kock, komt uit Vlissingen. Volgens de overlevering is deze voorvader in de zeventiende eeuw met de VOC naar Indië gegaan. Vanwege die afkomst was onze familie Europees.

In de Molukken is het gebruikelijk dat de jongste zoon bij de ouders blijft om de eigendommen te beheren. Dus mijn ooms zaten allemaal bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) maar mijn vader als jongste zoon niet. Hij was boer in kampong Negeri Lama bij Amboina. Maar ik werd naar school gestuurd. De Europese school. Inheemsen mochten daar niet naartoe. Er was maar één Europese school op Ambon. Uiteindelijk had ik een Mulo-diploma, het hoogst haalbare op Ambon wat onderwijs betreft. Ik ging aan de slag op het kantoor van de artillerie. Onze wijk, Halong Mardika, had een voetbalvereniging, Bintang Timur. De artillerie had ook een voetbalteam en al die Indische jongens van mijn kantoor waren natuurlijk voor hun eigen team. Toen dat team gelijk speelde tegen Bintang Timur waren ze woedend. Voetbal voor de oorlog betekende: zonder wonden ben je geen echte voetballer.

_

Op kantoor hoorde ik die Indische jongens praten. Ik dacht: ‘Verroest, ze willen mijn wijk een lesje komen leren’. Ik heb toen de wijkmeester gewaarschuwd voordat het ernstige gevolgen zou krijgen. En toen de artilleristen verhaal kwamen halen, heb ik mijn wijkgenoten gesteund. Met een katapult stenen op geschoten naar mijn collega’s.

_

Ik ging de dag erop naar de commandant en ik nam ontslag. Ik zat dus zonder werk en toen las ik in de krant dat het gouvernement jongelui nodig had voor het openleggen van de binnenlanden van Nieuw-Guinea. Ik solliciteerde en had succes. De buurtgenoten vonden het maar gek dat ik naar de koppensnellers ging, zoals ze zeiden. Maar er viel wel wat te verdienen. Ik kreeg op mijn salaris een ‘rimboetoelage’ en patrouillegelden. Mijn moeder was bang dat me wat zou overkomen. Toen ik wegging stond er bijna niemand om me uit te zwaaien.

_

Mijn standplaats werd Sorong in Vogelkop, in het uiterste westen van Nieuw-Guinea. Ik moest het gebied achter het stadje openleggen, de witte plekken op de kaart invullen. Ik kreeg een gids mee die ook tolk was, want ik sprak de taal niet, en een stuk of zes dragers. We trokken het bos in. Waar rook omhoog steeg waren mensen en waar je honden hoorde blaffen, daar waren mannen. Maar je moest ze voorzichtig benaderen. Ze waren nog niet eerder in contact geweest met mensen van buiten en leefden nog in het Stenen Tijdperk, zeiden we toen. Je moest duidelijk maken dat je geen kwaad in de zin had. Dus we hadden geen wapens bij ons. Maar wel cadeautjes, spiegels en kralen voor de vrouwen en rood textiel voor lendendoeken. Het eerste contact was wel een beetje angstig. Zijn ze vriendelijk, zijn ze betrouwbaar? De gids loopt naar het huis waar de rook opkringelt en legt uit dat we vrienden zijn en dat we wat goederen voor ze bij ons hebben. Dat is alles en dan gingen we weer weg. In twee jaren, van 1938 tot 1940 heb ik drie stammen geregistreerd. En op de kaart aangegeven waar ze woonden. Ik heb er ooit een boekje over geschreven: Op zoek naar koppensnellers.

_

In 1940 moest ik in dienst voor zes maanden. En 1941 werd ik opgeroepen omdat de dreiging van Japan groter was geworden. En paar maanden later, december 1941, was het oorlog. Toen de Japanners in april 1942 landden, trok ik mij met 66 andere KNIL-soldaten terug in de binnenlanden. We hebben ons nooit overgegeven, maar bleven guerrilla-acties uitvoeren. Het was hard en zwaar. Slechts zestien man hebben het overleefd. Ik heb daar een trauma aan overgehouden. Eind 1944 werden we ontzet door een eenheid van de Nederlandse Inlichtingendienst Nefis. De latere opperbevelhebber, Simon Spoor, die toen aan het hoofd stond van Nefis, sprak ons wat later aan en zei dat hij informatie nodig had over twee kampen bij Manokwari, wat nog in Japanse handen was. De Jappen lieten Indische Nederlanders en Molukkers die weigerden voor hen te werken, verhongeren. Spoor zei: „Het is geen opdracht, maar ik wil graag twee vrijwilligers hebben voor deze missie.” We slaagden erin de informatie in te winnen en op basis daarvan heeft een KNIL-eenheid die mensen kunnen bevrijden. Toen de staat van oorlog in Nieuw-Guinea werd opgeheven, ben ik teruggegaan naar het binnenlands bestuur.

brief van koninginwilhelmina

Brief van koningin Wilhelmina.

_

Ik werd weer bestuursambtenaar. Ik stuurde de Nederlandse vlag, met daarop de namen van de zestien overlevende guerrillastrijders, die wij bij ons hadden in de binnenlanden toe aan koningin Wilhelmina. En zij stuurde een brief terug dat zij diep was getroffen en ook stilstond bij degenen die hun naam niet meer op de vlag hadden kunnen zetten.

_

Op het moment dat Nieuw-Guinea overging in Indonesische handen, in 1962, was ik op groot verlof met mijn vrouw en kinderen in Nederland. Mijn werk was plots weg. Ander werk op mijn eigen niveau bleek niet makkelijk te vinden. Ik belandde in de laagste ambtelijke rang bij Defensie. En ik kreeg het aan de stok met mijn chef. Hij wilde aangesproken worden als kolonel. Maar ik vertikte dat. Toen ik weer eens ‘goedemorgen, meneer’ had gezegd, barstte de bom. Ik had dat zien aankomen en mijn militaire onderscheidingen in mijn binnenzak. Ik speldde ze op en zei tegen hem: „Als je in de oorlog gewapenderhand gevochten hebt tegen de vijand, dan zal ik je voortaan bij je militaire rang noemen. Zo niet, dan ben je gewoon een meneer.” Ik werd vervolgens naar de Rijks Psychologische Dienst gestuurd. Daar bleek de man die ik moest spreken een goede bekende uit Nieuw-Guinea. Hij regelde een betere baan voor mij bij Verkeer en Waterstaat, drie rangen hoger. En zei: „Pieter, je houdt in het vervolg je bek. De oorlog is voorbij.”