Het verdrag en de uitvoering PDF Afdrukken E-mailadres
Rapporten over West-Papua

Dr Kees Lagerberg, voormalig bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw Guinea en cultureel antropoloog, doet onderzoek naar de New York Agreement van 1962 en de gevolgen die dit verdrag had voor de geschiedenis van West Papua vanaf 1962. De heer Lagerberg volgt het onderzoek naar de gang van zaken na de bestuursoverdracht in 1962 in opdracht van de Nederlandse regering door Dr. Drooglever van het Instituut voor Nederlandse geschiedenis met kritische ogen. Voor zijn onderzoek/publicatie reisde Lagerberg o.a. naar Australië, Indonesië West Papua en Engeland waar hij in verscheidene -net opengestelde- archieven dook en met vele getuigen sprak. Hieronder volgt het tweede deel van zijn publicatie, waarvan het eerste deel reeds in het vorige nummer, nr. 3 van de WPC gepubliceerd werd. In het eerste deel verwees Kees Lagerberg naar de tegenstrijdigheden in het eerste en tweede gedeelte van de New York Agreement en het met opzet verhullende taalgebruik in de Indonesisch vertaling Overeenkomst hetgeen vele interpretaties mogelijk maakte. Daarnaast gaf hij reeds een boeiende uiteenzetting van de -achter-de-schermen-politiek ten tijde van de uitvoering van de Act of Free (lees: No) Choice. Ontluisterende feiten uit het verleden waarvan de Papua's tot op heden het slachtoffer zijn.

Hoofdstuk H van een verhandeling over het Verdrag van New York en de gevolgen

door Kees Lagerberg

 

De Overeenkomst van New York, die Nederland en Indonesië 15 augustus 1962 in New York onder auspiciën van de Verenigde Naties sloten, en waarin de bestuursoverdracht van Nieuw Guinea werd geregeld, heeft een lange en gecompliceerde voorgeschiedenis. Men behoeft daar niet alles over te weten, maar die voorgeschiedenis werkt door in de inhoud en in de uitvoering van het verdrag. Men vindt dat terug in de tekst van het verdrag, in de officiële en minder officiële verslagen van de uitvoering, in de formele verantwoording en niet het minst in reportages van journalisten en getuigenissen van betrokkenen. Voorzover dat voor de geldingskracht van de overeenkomst van belang is, was het nodig, zoals de Papua's het genoemd hebben, "de geschiedenis te herschrijven". Het werd in meerdere opzichten een ontluisterend onderzoek naar een schuldig zwijgen.

 

(Vervolg op deel 1 , De methode voor het uitoefenen vn het zelfbeschikkingsrecht van de Papua's, onderwerp van het tweede gedeelte van het verdrag)

 

Men vraagt zich met verbazing af, hoe deze Nederlandse houding van horen, zien en zwijgen te verklaren is. Het is duidelijk dat er in 1962 in New York met op de achtergrond een strijdbare minister Luns nog moeite werd gedaan het zelfbeschikkingsrecht van de Papua's in het verdrag zo goed mogelijk te garanderen, ook als ' face-saving device', maar nadat het gevecht eigenlijk verloren was, ging zich een lange-termijn visie op de verhouding met Indonesië ontwikkelen, die vooral wortels had in de internationale oriëntatie van Buitenlandse Zaken. Die visie werd niet ontwikkeld door minister Luns, ofschoon hij zich wel nuchter opstelde in de veranderde constellatie, maar door top-ambtenaren als Rookmaker en Schiff , die trouwens weinig notie hadden van de potentiële rijkdom van Nieuw-Guinea/ Irian Barat en nog minder van de vrijheidswil van de bevolking. In de periode tussen 1962 en 1969 verschoof in Nederland de balans tussen de tegenstrijdige belangen van Indonesië en Nieuw-Guinea/Irian Barat. De Nederlandse ambassadeur in Jakarta in die tussenliggende jaren .Schiff, verzekerde mij kort en krachtig: " Nederland wilde er vanaf. " De redenering was eenvoudig: Indonesië was een van de dichtstbevolkte en rijkste landen ter wereld, een archipel van groot strategisch belang in de nieuwe machtsverhoudingen in het Verre Oosten, bovendien liggend op de verbindingsweg van Australië met het Westen. Nederland had in Indonesië nog altijd grote belangen en bezat nog veel goodwill. Bovenal waren vooral de oudere diplomaten er diep van overtuigd dat Indonesië Irian nooit meer prijs zou geven. Elke interventie in die richting zou funest zijn voor de relatie tussen beide landen; het best bereikbare zou zijn een zo groot mogelijke mate van autonomie voor de Papua's. De federaliseringsgedachte van lt.gouverneur-generaal H. van Mook , die later overgenomen zou worden door president Abdurahman Wahid, lag ver van de eenheidsstaat, die Soekarno, Soeharto en nu weer Soekarno's dochter Megawati voor het eilandenrijk als enige mogelijkheid zien. Nederland staat echter nauwelijks in een situatie, dat het kritiek kan hebben op de eenheidsgedachte, want het is juist het kenmerk van een koloniaal bewind, dat men gebieden in bezit nam waarbij het z.g. moederland weinig oog had voor de eigenheid van die gemeenschappen. In dat opzicht is de visie van Soekarno, samenhangend met een historisch besef aangaande klassieke eenheidsrijken als Modjopait en Mataram, beter te verteren dan het Van Mook-concept, dat bovendien de verdenking wekt dat de in Ned.-Indië gewortelde gemeenschap van Nederlanders (met het moederland in een Unie verenigd) zich in het jonge Indonesië een traditionele rol van belang toedacht. Bij elk protest tegen de Indonesische politiek de nationale eenheidsstaat na te streven, had Nederland zich kunnen realiseren, dat men de draagkracht van de relatie tussen beide landen niet mocht overbelasten. De toekomstige verhouding moest immers opgebouwd worden vanuit een zeer beladen verleden. En als men de souvereiniteitsoverdracht van 1949 in de beschouwing betrekt moet men zelfs spreken van een zeer beladen recent verleden. Het verwaarlozen van dat aspect zou zeer in het nadeel van de Papua's kunnen uitpakken. Dat laatste argument bracht gewetensbezwaarden zoals minister Klompe in een moeilijk parket want aan de ene kant kon men overtuigd zijn van de juitheid van de dekolonisatie en begrip hebben voor de bijkomende moeilijkheden, terwijl men aan de andere kant geen weerloze mensen wilde uitleveren aan een neo-koloniale jonge staat. Ontsnapping uit die dwangpositie lag dan in het strikte standpunt, dat verdragen gehouden moeten worden, maar het -pacta sunt servanda- bood in het gewetensconflict bepaald geen uitkomst toen de diplomatie liet weten dat dan alle mogelijkheid tot positieve interventie afgesneden zou zijn. Wat was dus eenvoudiger dan te stellen dat het gedogen van die schending in het belang van de Papua's was? Het vereist geen grote scherpzinnigheid om in te zien dat het korte termijn -perspectief hier in conflict is met de uitkomst op lange termijn; belang Zelfbeschikkingsrecht is hier ongemerkt vervangen door belang. De geschiedenis zou al snel deze kortzichtigheid veroordelen. Indonesië zou als rechtstaat in de volgende jaren alle aanzien verspelen en de gedoogpolitiek, die in de kringen van Buitenlandse Zaken ontwikkeld werd, zou niet alleen voor de Papua's maar ook voor Indonesië desastreus worden.

 

Van belang voor de beschouwing van de methodiek van de volksraadpleging is het nodig de formulering in art.XVII sub a van de NYA andermaal te beschouwen. Om vrijelijk hun keuze te bepalen eist de regeling:

 

a) overleg (musjawarah) met de vertegenwoordigende raden over procedures en geëigende metheden, die moeten worden gevolgd om de vrijelijk tot uiting gebrachte mening van de bevolking te constateren.

 

Onder b), c), en d) van art. XVIII komen nog een aantal voorwaarden aan de orde, die voor een geldige uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht wezenlijk zijn, want dit artikel is de kern van het hele tweede gedeelte, waarin Nederland tracht de toekomst van de Papua veilig te stellen, maar het cruciale punt is hier -het overleg met de vertegenwoordigende raden- omdat de formulering van dit punt het breekijzer is geworden, waarmee Indonesië het hele verdrag tot een aanfluiting heeft gemaakt. Het is ironisch dat juist op dit artikel door critici van de uitvoering is gewezen als het artikel waarin een garantie voor een aanvaardbare uitvoering werd gegeven, maar dat zijn degenen die nadruk leggen op bepaling dvan dit artikel, maar dat is nu juist het rookgordijn, dat de zaak verduistert. Want onder d staan al die voorwaarden, waaraan een kiesgerechtigde in een volwaardige democratie moet voldoen om deel te kunnen hebben aan de procedure, zodat de indruk ontstaat dat de procedure voldoet aan moderne, democratische maatstaven, maar in het vervolg zullen we aantonen dat het criterium 'kiesgerechtigde' zijn inhoud verloren heeft door de onbemerkte inschuiving van het veel bredere begrip ' ínwoner ' Het is bepaling 'a' waarin het overleg (musjawarah) met de vertegenwoordigende raden wordt geïntroduceerd, waar de kans lag voor het frustreren van alle andere waarborgen. Bij het sluiten van het akkoord in 1962, waarin het jaar van de volksraadpleging werd vastgelegd voor uitvoering binnen een tijdvak van ongeveer 8 jaar (gerealiseerd in 1969) bestonden er in Nieuw Guinea buiten de algemeen aanvaarde, legitieme Nieuw-Guinea Raad geen vertegenwoordigende raden, die waren toegesneden op de voorliggende taak. Er waren streekraden, die behalve de oudste raad, de Kankain Karkara van Biak soms van zeer recente datum waren zoals de Dafonsoro-raad in Hollandia en de Radja Ampat- raad in Sorong, die pas werden ingesteld in de democratiseringsgolf, die onder staatssecretaris Th. Bot met kracht werd ingezet in de late jaren '60. Het waren raden met een beperkte regionale werking en geen raden, die gehele bestuursressorten zoals de Indonesische regentschappen of de Nederlandse residenenties besloegen. Verder bestonden er dorpsraden zoals in de onderafdeling Mimika, die het experimentele stadium nog niet te boven waren. Indonesië mocht er dus wel van uitgaan, dat de volksraadpleging, die immers voor 1970 zou moeten plaats vinden, gehouden zou worden met vertegenwoordigende raden van Indonesische makelij. Dat is ook gebeurd. Het ging dan om regionale raden van gemiddeld 17 leden, die onder toezicht van de overheid (waarin het leger een dwifungsi had) onder voorzitterschap van de Bupati werden aangesteld, waarbij leden van niet-erkende organisaties waren uitgesloten. Omdat politieke partijen zoals ze in de Nederlandse tijd waren opgericht onmiddellijk na de bestuursovername werden afgeschaft en ook Indonesische politieke partijen in de eerste periode niet voor Papua's toegankelijk waren, mag men van het democratisch gehalte van deze raden geen al te hoge dunk hebben. Met deze raden werd dan overleg gevoerd hoe de volksraadpleging zou plaats vinden. Het eerste tentatieve voorstel, dat door Tjondronegoro aan de vertegenwoordigers van VN en Nederland werd voorgelegd was dat van een raad van 200 leden (dat betekende dat de 8 regionale raden als een centrale, provinciale raad zouden fungeren) die in samenspraak ( musjawarah) tot een beslissing over de toekomstige staatsvorm zou komen. Toen dit voorstel geen warm welkom kreeg, werd het idee verlaten voor een achttal regionale raden met elk een ledental variërend van 35 tot 175 leden, tesamen 1025 leden tellend. Dit voorstel viel beter en met name VN-vertegenwoordiger Ortiz Sanz vond het veel aanvaardbaarder als voldaan werd aan het criterium, dat de representativiteit van de bevolking verzekerd was. Hieraan kon Indonesië voldoen door een driedeling te maken bij de aanstelling van de leden voor functionele groepen, voor adat-hoofden en voor gekozenen. Dit uitgangspunt werd aangehouden en in een musjawarah-bijeenkomst door de regionale raden aanvaard. Het is onbegrijpelijk, dat vanuit de VN of vanuit Nederland geen bezwaar gemaakt werd tegen dit concept dat impliciet inhield dat er met tweehonderd leden geen sprake meer zou zijn van een centrale bijeenkomst, maar dat de besluitvorming opgesplitst zou moeten worden in 8 verschillende deelbijeenkomsten. Dat die instemming niet bonafide was kan men concluderen uit het feit dat niet voorzien werd in een regeling, hoe men voort zou gaan als er een enkel district een afwijkende mening zou hebben. Men ging er kennelijk al vanuit dat de regionale raden de algemene lijn zouden volgen nadat eventuele tegenstemmers in de deel -vergaderingen via het musjawarah-overleg zouden zijn overklast. Hoe ernstig het ontbreken van enige regeling zou zijn als er een enkeling zou weigeren met de algemene opinie in te stemmen bleek in Jayapura, waar een enkele kiesman zich verzette tegen aansluiting bij Indonesië en een dag later dood in het oerwoud werd gevonden. Vooral degenen die zich in Den Haag door Tjondronegoro tot het gevolgde systeem hebben laten bekeren, mogen zich dit aantrekken. Die samenstelling van de raden lag voor een belangrijk gedeelte al vast, omdat de 136 leden van de regionale raden per definitie lid werden van het uit te breiden college. De wijze, waarop zij in die raden terecht kwamen vond trouwens plaats in de periode dat van verkiezingen geen sprake was; het gaat dus zonder uitzondering om benoemde of zelfs aangewezen leden. Maar de raden dienden verder nog met 889 nieuwe leden aangevuld te worden, die dan tesamen met de al zittende leden als kiesmannen en -vrouwen in 8 zittingen op verschillende plaatsen in een musjawara-bijeenkomst hun eindoordeel zouden geven. In de musjawara-bijeenkomst in eerste aanleg (tussen overheid en de vertegenwoordigende raden (in casu de regentschapsraden) werd dus geheel conform het verdrag besloten welke methode gehanteerd zou worden bij de uiteindelijke keuze voor of tegen integratie binnen Indonesië. Indien dat gebeurd zou zijn in een centrale bijeenkomst, waarin argument en tegenargument gewisseld had kunnen worden, zou men ook met een tweede musjawara-ronde genoegen hebben kunnen nemen, want men zou dan gekomen zijn tot "een beredeneerde uitspraak", zoals men in Nederland op een bepaald moment meende dat gebeuren zou, hetgeen een en ander nog aanvaardbaar maakte. Maar dat was niet het geval, want hier begint de ondoorzichtige realisatie, die er uiteindelijk toe leidt dat, zoals vermeld door de VN-vertegenwoordiger, niet meer dan 20% van de kiesmannen volgens een door de VN bijgewoonde procedure is binnengekomen. En zelfs daarop valt, zoals in het vervolg zal blijken nogal het een en ander af te dingen, bezwaren die op zich al voldoende zijn om de volksraadpleging tot een farce te verklaren. Bleef nog over hoe de verkiezing van de nieuwe 889 leden van de regentschapsraden, die tevens kiesmannen zouden zijn, georganiseerd moest worden. Daarin werd eveneens voorzien door musjawarah van de (oorspronkelijke) regentschapsraad, die in die bijeenkomst besloot ad hoc-comite's van enkele personen (niet noodzakelijk leden van de regentschapsraad) in te stellen, die weer in musjawara met de bevolking de nieuwe leden zouden aanstellen. We kiezen hier het woord aanstellen, omdat er van die procedure niets is terechtgekomen en er zoals later zal worden aangegeven, eenvoudig personen werden gerekwireerd. Na het op verschillende niveau's hanteren van het mushawara-middel is er geen sprake meer van iets dat op een legitieme verkiezing lijkt. In de reportage van de secretaris-generaal van de VN kan men, als vermeld de cijfermatige bevestiging van deze uitkomst vinden. Als excuus gelden tijdsdruk, verbindingsproblemen en ontwikkelingsachterstand van de bevolking. Gebrek aan ervaring en mala fide-hantering van een adatrechtelijke procedure-gebruik komen als verklaring dichter in de buurt. De hele exercitie is zo verward en ondoorzichtig dat men mag aannemen, dat het tot viermaal toe presenteren van de musjawara-methode niets anders is dan een testimonium paupertatis, waarmee de totale mislukking van een eventueel aanvaardbare procedure is toegedekt. In totaal wordt tot viermaal toe en dan nog op uiterst dubieuze wijze de musjawara-methode gehanteerd, terwijl men op grond van artikel XVIII zou veronderstellen dat men met de representatieve raden overlegt op welke wijze een eind-uitslag kan worden verkregen. In de eerste fase verloopt dat al merkwaardig. Indonesië komt met een concept, dat men voorlegt aan Nederland en aan de VN, waarna men dat laat vallen en met een tweede voorstel komt, waavoor men wel instemming ontvangt van verdragspartner Nederland en van de VN, pas daarna wordt het besproken met de vertegenwoordigende raden van de regentschappen. Nadat er akkoord over dit plan is bereikt gaat men weer over op musjawarah-overleg om het eens te worden over de wijze waarop volgens dit plan de regentschapsraden zullen worden uitgebreid, zodat er een voldoende aantal kiesmannen wordt bereikt. Men besluit in dat overleg dat dit kan gebeuren door comité's het veld in te sturen, die wederom in overleg ter plaatse (voor de derde maal in mushawara-overleg) kandidaten werven. Boven hebben we al opgemerkt dat de comité's niet eens volledig uit de regentschapsraden werden samengesteld en verderop zal blijken, dat de voorzitter van de regentschapsraad soms niet eens wist waar zijn teams uithingen of wanneer zij terugverwacht konden worden. Men moet wel respect hebben voor een leider als Soedjarwo Tjondrnegoro, die tevoren in pendel-diplomatie de uitvoeringsstrategie in New York en Den Haag had voorgesteld, een dreigende afgang bij de realisatie in West-Irian weet te voorkomen door persoonlijk ter plaatse in te grijpen om althans de schijn te redden. Na deze voorgeschiedenis vindt dan op 8 verschillende lokaties de verkiezing door de aldus verkregen kiesmannen plaats in de geschetste opzet, waarmede men dan voor de vierde maal in uiterst geredigeerde vorm de musjawara-methode toepast. De redactie van art.XVIII sub a geeft geen aanleiding een dergelijk uitbundig gebruik van een omstreden methode vooraf te veronderstellen. Bij de behandeling van het eindverslag in de Algemene Vergadering van de VN zal uit de commentaren van met name de Afrikaanse landen blijken dat niet elk land de ogen heeft willen sluiten. Uit de in het vervolg te bespreken verslagen en rapporten blijkt dat. De 100%-procentsinstemming van de Papua's met de voorgestelde integratie in Indonesië is trouwens afdoende bewijs van wat ingebakken verkiezingsfraude moet heten.

 


New York, novenber 1962, Z. Sawor en D. Kereway protesteren bij
VN-gebouw n.a.v. de New York Agreement

 

De deelname
Art.XVIII NYA geeft niet alleen onder sub a het failliet van de Nederlandse politiek aan, want door de invoering van de mushawara-methode werd het mogelijk de wil van de Papua's onder de mat te vegen, maar sub d wordt duidelijk dat men hinkt op twee gedachten. Aan de ene kant een adatrechtelijke benadering van een algemeen overleg om tot een gemeenschappelijk beleid te komen, toelaatbaar voor een primitieve bevolking, aan de andere kant moderne democratische voorwaarden voor de individuele kiesgerechtigde. Een osmose tussen de verschillende uitgangspunten van een algemene gezamenlijke wilsuiting en van individuele verantwoordelijkheid was mogelijk geweest als de specifieke eisen van het individuele kiesrecht bij het kiezen van de kiesmannen, die hun mening zouden inbrengen in het uiteindelijke mushawarah-overleg waren aan gehoudenl. Maar dat werd zoals de Papua's het algemeen kwalificeerden een boneka-overleg, een farce. De spanning tussen de twee uitgangspunten, die onder de overkapping van een enkel artikel, voelbaard is kwam het scherpst tot uiting in de tegengestelde benadering van de VN in de persoon van Ortiz Sanz en van Indonesië in de figuur van ambassadeur Soedjarwo Tjondronegoro. Ortiz Sanz drong er vanaf het begin op aan dat bij de volksraadpleging het principe van -one man one vote- zou gelden met als uitgangspunt dat voor de kiesgerechtigden de eisen van art XVIII sub d zouden gelden. Soedjarwo daarentegen richtte zijn aandacht op de samenstelling van het kiesmannen-college want dat moest de cardinale beslissing over het al of niet integreren binnen Indonesië nemen. Nederland en de VN werden zoals boven vermeld door hem bewerkt in een driehoeks-diplomatie gericht op de hoofdrolspelers. Het doorslaggevende argument werd gevonden in de inwilliging van een van de voorwaarden van Ortiz Sanz. Hij had, in tegenstelling tot secretaris-generaal Oe Thant, in een eerder stadium al gepleit voor een -mixed sytem- van verkiezing. Hij werd hierbij kennelijk geïnspireerd door de verkiezing die de Nederlanders 8 jaar eerder in 1961 gehouden hadden voor de samenstelling van de Nieuw-Guinea Raad, waarbij onderscheid gemaakt werd tussen ontwikkelde en minder ontwikkelde kiesdistricten. Twee stedelijke gebieden Hollandia, de hoofdplaats en Manokwari, de vroegere hoofdplaats telden een beduidend aantal Nederlanders en hadden een aantal van de meest ontwikkelde autochtonen, zodat daar het -one man one vote- systeem voor de hand lag. Voorzover er binnen het stadgebied analfabete Papua's waren werd daarin voorzien door stemming via vertrouwensmannen in een z.g. -whispering ballot. Maar bij het voorstellen van een dergelijke benadering, die trouwens door Indonesië van tafel werd geveegd wegens praktische bezwaren (die blijkbaar onder Nederlands bestuur niet onoverkomelijk waren) accepteerde hij al onvolmaaktheden in de benadering, die mogelijk samenhingen met de door het Nederlandse bestuur gehanteerde methode, die weliswaar na diepgaand overleg tot stand was gekomen, maar toch ondanks het progressieve uitgangspunt van de zelfbeschikking de sporen droeg van een koloniaal bewind. Zo was er kennelijk gekozen voor een districtenstelsel als gevolg van de koloniale bestuursstructuur met het top down- karakter van afdelingen (residenties) en onderafdelingen, in Indonesië gevolgd door de post-koloniale structuur van kabupatens en kecamatans, die een regionale benadering een vanzelfsprekend karakter geven. Maar zo vanzelfsprekend is zo'n benadering niet, want er is geen betere methode denkbaar om minderheidsstandpunten weg te drukken dan een districtenstelsel, waarin een relatieve meerderheid de einduitkomst bepaalt. Het districtenstelsel bevordert een twee-parijen systeem, waarin men wisselend aan de macht kan komen. Voor het bereiken van een permanente, eenmalige beslissing zoals het besluit over al of niet integratie binnen Indonesië is het ongeschikt. Verder had een nationale vergadering ten minste een voorwaarde moeten zijn voor een nationaal onderwerp en geen opdeling in 8 kiesdistricten. Ook in Nederland heeft men blijkens het ontbreken van enig commentaar in de Kamerverslagen geen oog gehad voor dit wezenlijke tekort. Ortiz Sanz had vermoedelijk ook geen oog voor een zekere verfijning in de Nederlandse methode, die onder nog nader aan de orde komt, nl. dat behalve de twee directe en 12 getrapte verkiezingen die in het Nederlandse gemengde systeem voor ontwikkelde en minder ontwikkelde districten voorzien waren er nog een derde mogelijkheid bestond voor de benoeming van raadsleden via een soort reparatie-bevoegdheid van de gouverneur, die door benoeming kon voorzien in vertegenwoordiging van niet-gerepresenteerde groepen zoals vrouwen-beweging, zakenwereld of ongeregistreerde Papua's in exploratie-gebieden. Nu dient hier te worden opgemerkt dat de verkiezing van de Nieuw-Guinea Raad in meerdere opzichten niet te vergelijken is met de volksraadpleging. In het eerste geval gaat het om een bestuurscollege met permanente leden, dat een gehele bevolking bestrijkt op alle onderwerpen van algemeen belang, terwijl het bij de volksraadpleging gaat om een eenmalig gebeuren, waarbij alleen autochtonen betrokken zijn, die als kiesmannen een uispraak doen. De kiesmannen in het Nederlandse model voor de Nieuw-Guinea Raad hebben dus een andere functie dan de kiesmannen in het Indonesische model van de volksraadpleging; in het eerste model wordt een centrale permanente raad gekozen, in het tweede geval gaat het om 8 gescheiden colleges, die elk een eensluidende uitspraak moeten bereiken. Zij zijn daarmee tevens aan het eindstation. Het is de verdienste van Ortiz Sanz geweest dat hij de functionele en adat-rechtelijke vertegenwoordiging, die in het Nederlandse model berustten in handen van de gouverneur via een correctief benoemingsrecht, in het proces van de volksraadpleging heeft ondergebracht door een voorwaarde te stellen aan de diversiteit van de kiesmannen. Zij dienden in een bepaalde samenstelling drie groepen te vertegenwoordigen: de kiezers, de functionele groepen zoals kerken en andere (toegestane) bewegingen en gekozen vertegenwoordigers. Die samenstelling werd van bovenaf bepaald. De verdeling van de drie variëteiten van kiesmannen in de samenstelling van de colleges is weer een organisatotorisch gegeven, waarvoor Ortiz Sanz geen verantwoordelijkheid draagt. Het is niettenin een inbreng geweest, overgenomen door Soedjarmo Tjondronegoro, die Nederlandse parlementsleden gebracht heeft tot de overtuiging, dat er op die manier een "beredeneerde uitspraak" bereikt kon worden.

 

Interessanter dan de uitwerking van de beide systemen is echter de grondgedachte van elk systeem, die voorziet in de deelname. Nederland, dat Nieuw-Guinea nooit als een wezenlijk onderdeel van Nederlands-Indië gezien heeft en het dan ook conform dat inzicht beplaad niet intensief bestuurd heeft zodat het nog in het pacificatie-tijdperk verkeerde, maakte pas na de Tweede Wereldoorlog werk van de openlegging van Nieuw Guinea. Het uitgangspunt was eenvoudig: men ging uit van een schatting van de bevolkingsomvang van 700.000 inwoners, die men elk jaar trouw aan de VN als niet-zelfbesturend gebied rapporteerde en trachtte intussen het z.g. bestuurd gebied uit te breiden. Dat ging na de souvereiniteitsoverdracht van overig Ned. Indië, d.w.z vanaf 1950 met het oog op het zelfbeschikkingsrecht in versneld tempo. Eind 1960 was er een het gehele gebied bedekkende bestuursorganisatie van 6 afdelingen, 22 onderafdelingen en 72 bestuursdistricten, die 533.000 zielen telde. Er waren bovendien 3 exploratie-gebieden Oost-,Midden- en West-Bergland. In die gebieden werd het Nederlandse rechtssysteem niet toegepast maar er was wel een bestuursambtenaar, die de vestiging van reglementair bestuur onder toezicht van een afdelingshoofd voorbereidde. De schatting van 700.000 inwoners was dan ook niet irreëel. Indonesië, dat in 1969 uitging van een bevolkingscijfer van 800.000 (hetgeen neerkomt op een bescheiden groeipercentage van 2%) zat op dezelfde lijn. Nu baseerde Nederland zijn verkiezengsmodel op de mate van bestuursintensiviteit. Het directe en indirecte kiesstelsel omvatte in 1961 in 14 kiesdistricten 230.287 autochtone inwoners, van wie er 100.164 kiesgerechtigd waren, d.w.z. bijna 45 %. die per kiesdistrict elk een raadslid kozen. In Biak en Japen werden twee raadsleden gekozen. In de gebieden met getrapte verkiezingen ging men uit van een kiesman op elke 50 kiesgerechtigden. Dit gaf als resultaat 16 gekozen leden op een totaal van 28. Er werden dan suppletoir 12 leden door de gouverneur benoemd. Dat aantal is hoog maar niet te hoog want het betreft vooral het gebied waar geen directe of indirecte verkiezingen werden gehouden. Voor dat gedeelte van de 550.000 Papua's, dat wel tot het regulier bestuurd gebied behoorde maar nog niet viel onder het per persoon geregistreerde gedeelte, werd door de gouverneur overleg met de bevolking gevoerd, dus toch ook een soort gedirigeerd mushawarah-model. En tenslotte waren er de benoemingen voor het exploratie-gebied. Verdeelt men het totaal van 700.000 autochtonen grofweg in drie categoriën, geregistreerden (230.287), regulier bestuurden (303.713) en buiten jurisdictie vallenden (167.000) dan is er sprake van een oververtegenwoordiging van de geregistreerde en een sterke ondervertegenwoordiging van de regulier bestuurde en onbestuurde bevolking. De geregistreerde bevolking, die grofweg eenderde van de totale autochtone bevolking uitmaakt werd immers bedeeld met 50% van de vertegenwoordigers, In het Indonesische model ziet men precies het omgekeerde. Men gaat uit van 800.000 inwoners en met verwaarlozing van het begrip kiesgerechtigden stelt men dat er een kiesman dient te zijn op elke 750 inwoners. De sterke, principiële kant aan deze methode is dat elke autochtoon, ontwikkeld of primitief, even zwaar telt; de zwakke kant is dat sommige kiesdistricten (met als territoir een groot gedeelte exploratie- of onbestuurd gebied) een aantal kiesmannen krijgt toebedacht dat moeilijk in overeenstemming te brengen is met de realiteit. Het gevolg is dan ook een dusdanige overrepresentatie van de grotendeels onbestuurde gebieden, dat de uitslag van de volksraadpleging na de uitspraken in de drie eerste districten Merauke, Wamena en Nabire met de respectieve voormalige exploratiegebieden in het Centrale Bergland al vrijwel vaststaat. Zij hebben 425 of ruim 40 % van de 1026 kiesmannen. De overige districten komen aan de uitslag in feite niet meer te pas.

 

Naschrift redactie: Het onderzoek van Dr. lagerberg naar de New York Agreement van 1962 en de gevolgen die dit verdrag had voor de geschiedenis van West Papua vanaf 1962, is nog in volle gang. Heeft u informatie die voor zijn onderzoek relevant kan zijn, dan kunt u mailen naar het volgende adres: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.